De inkomens- en lastentoets van Thuiswinkel.org

Download de Inkomens- en lastentoets van Thuiswinkel.org (pdf)

De inkomens- en lastentoets maakt onderdeel uit van de Gedragscode die geldt voor de kredietverstrekkende leden van Thuiswinkel.org. Het is een toets op de kredietwaardigheid van de klant om overkreditering te voorkomen. Het is daarmee een concretisering van de norm in de Wet op het financieel toezicht om verantwoord krediet te verstrekken. 

De toets en is als volgt vormgegeven:

  1. Voor kredietovereenkomsten met kredietbedrag tot € 250 kan worden volstaan met een opt-in verklaring van de consument (zie randnummer 13). Er hoeft geen nadere inkomens- en lastentoets plaats te vinden.
  2. Voor kredietovereenkomsten met een kredietbedrag boven € 250 en bij verhoging van het overeengekomen kredietbedrag met meer dan € 250, dient naast de opt-in verklaring, een inkomens- en lastentoets te worden uitgevoerd op basis van informatie over de klant die mede door de klant wordt opgegeven.
  3. Voor de inkomens- en lastentoets dient de kredietverstrekker de volgende informatie bij de klant op te vragen over:
    • gezinssamenstelling;
    • netto maandinkomen;
    • maandelijkse woonlasten;
    • opgave van overige maandelijkse betalingsverplichtingen die voortvloeien uit leningen. Betalingsverplichtingen voor een hypotheek vallen onder de maandelijkse woonlasten. 

    De klant zal hierbij worden gewezen op de eigen verantwoordelijkheid bij een juiste opgave van gegevens en het feit dat een onjuiste opgave kan leiden tot onmiddellijke opeisbaarheid van het krediet (overeenkomstig artikel 33 aanhef en sub 6 van de Wet op het consumentenkrediet). Daarnaast wint de kredietverstrekker informatie in bij het CKI van het Bureau Kredietregistratie (BKR).

  4. Indien de verhoging van het overeengekomen kredietbedrag met meer dan € 250 leidt tot een krediet boven € 1.000, zal bij klanten, met een hypotheek op hun woonhuis worden gerekend met de bruto maandlasten, met een afslag van 25% voor huishoudens met een bruto inkomen tot 2 keer modaal en van 30% voor huishoudens met een inkomen hoger dan 2 keer modaal. Meer specifiek wordt daarbij onder bruto maandlasten verstaan: bruto rente + aflossing/premie voor vermogensopbouw over de gehele looptijd van de hypothecaire 2 lening(en). De eventuele risicopremie voor de bijbehorende overlijdensrisicoverzekering behoeft niet in aanmerking te worden genomen.
  5. Op basis van deze informatie kan op de volgende wijze worden vastgesteld of er voldoende kredietruimte bestaat om het gevraagde krediet te kunnen dragen.
  6. Als normbedrag voor uitgaven dient te worden uitgegaan van een referentiekader dat is gebaseerd op de voorbeeldbegroting van het NIBUD (vaste lasten) en de minimumvoorbeeldbegroting van het NIBUD (reserveringsuitgaven en huishoudelijke uitgaven), vermeerderd met een opslag van 10%. In dit referentiekader worden de vaste lasten genomen uit de voorbeeldbegrotingen die passen bij het betreffende inkomen en gezinssamenstelling. De huishoudelijke- en reserveringsuitgaven zijn in het referentiekader gebaseerd op de betrokken minimumvoorbeeldbegroting die passen bij de betreffende gezinssamenstelling. Deze zijn dus niet inkomensafhankelijk.
  7. Als absolute ondergrens is een referentiewaarde gedefinieerd, die is gebaseerd op het bestaansminimum. Deze referentiewaarde bestaat uit de totale uitgaven volgens de minimumvoorbeeldbegroting van het NIBUD, verminderd met de woonlasten en de vermijdbare uitgaven (de zogenaamde sterretjesposten). Dit bedrag dient te worden verhoogd met een algemene toeslag van 10%.
  8. Onder de volgende cumulatieve voorwaarden kan de kredietverstrekker een aftrek op het referentiekader (en de referentiewaarde) toepassen (zogenaamde thuiswinkel-aftrek):
    • er is sprake van goederenkrediet (een krediet gekoppeld aan de aankoop van een product);
    • het krediet is gemaximeerd tot € 5.000; en
    • het krediet wordt aangegaan voor de aankoop van goederen die passen in de reserveringsuitgaven van de minimumvoorbeeldbegroting (zie randnummer 10).
  9. De thuiswinkel-referentiewaarde en thuiswinkel-aftrek worden als volgt bepaald:
    Totaal uitgaven NIBUD-minimumvoorbeeldbegroting
    - * posten
    - Woonlasten
    - 75% kleding
    - 75% inventaris
    - 50% onderhoud huis,tuin
    = Minimum uitgavenpakket
    + extra pakket 10%
    + rente-component1
    = Thuiswinkel-referentiewaarde
    - Referentiewaarde (zie randnummer 6)
    = Thuiswinkel-aftrek
  10. Voor het mogen toepassen van de thuiswinkel-aftrek dient de kredietverstrekker er zich van te vergewissen dat de extra kredietruimte die door toepassing van de aftrek ontstaat, alleen wordt aangewend voor de aanschaf van goederen die passen binnen de reserveringsuitgaven van de NIBUD minimumvoorbeeldbegroting. Dit zijn uitgaven in de volgende categorieën:
    • kleding en schoeisel;
    • Inventaris, onderhoud huis, tuin.

    De categorie inventaris, onderhoud huis en tuin behoeft een nadere afbakening. Onder inventaris valt: meubilair, stoffering, linnengoed, servies, bestek en glas, keuken- en schoonmaakgerei en overige huishoudelijke artikelen, alsmede huishoudelijke apparatuur. Bij huishoudelijke apparatuur gaat het om standaardproducten (bijvoorbeeld een TV van 55 cm, een simpele audioset en laptop/computer), die moeten worden onderscheiden van luxegoederen. Voor het onderscheid van deze producten gaat de kredietverstrekker uit van de tabel “huishoudelijke apparatuur” van de Prijzengids van het NIBUD, die jaarlijks wordt uitgegeven. Onder onderhoud huis en tuin vallen uitgaven voor bijvoorbeeld verf, doe-het-zelf artikelen voor klein onderhoud en (tuin)gereedschap.

  11. Om de beschikbare kredietruimte vast te stellen, geldt de volgende systematiek:
    Netto maandinkomen (zoals opgegeven door de klant)
    + bijtelling2
    - werkelijke woonlasten (zoals opgegeven door de klant)
    - normbedrag (overeenkomstig het referentiekader al dan niet verlaagd met de thuiswinkel-aftrek)
    - overige betalingsverplichtingen (zoals opgegeven door de klant)
    = beschikbare ruimte voor krediet
  12. Indien er geen beschikbare kredietruimte is, wil dat niet zeggen dat onder geen enkele omstandigheid een krediet kan worden verstrekt. Op basis van de individuele omstandigheden van een consument kan een krediet toch verantwoord zijn, ook al komt daarmee het resterende inkomen onder het normbedrag. Dit moet de kredietverstrekker goed kunnen onderbouwen.
  13. Ten einde de consument in staat te stellen de eigen verantwoordelijkheid voor een goed budgetbeheer waar te maken, dient de klant te worden gewezen op het totale maandbedrag dat dient te worden betaald en instemming te worden gevraagd of de klant verwacht dit maandbedrag te kunnen betalen (zogenaamde opt-in). Indien de klant niet expliciet instemt met dit maandbedrag, zal het krediet niet worden verstrekt.
  14. De inkomens- en lastentoets dient te worden toegepast bij nieuwe kredietklanten, alsmede bestaande klanten die een hogere limiet wensen dan hen reeds is toegekend. Bij de invoering van de inkomens- en lasten op 1 oktober 2008, krijgen de bestaande klanten de limiet toegekend die op dat moment op basis van het credit scoring systeem geldt. Voor deze bestaande klanten dient een inkomens- en lastentoets te worden toegepast indien de bestellingen op krediet deze gefixeerde credit scoring limiet met meer dan € 250 overschrijdt. Bij de overschrijding van de gefixeerde credit scoring limiet worden deze klanten voorgelicht informatie over een verantwoorde kredietverstrekking en de inkomens- en lastentoets.
  15. De inkomens- en lastentoets geldt voor goederenkredieten tot € 5.000. Voor geldkredieten tot € 5.000 dient ten aanzien van de opgave van overige maandelijkse betalingsverplichtingen die voortvloeien uit leningen (zie randnummer 3, vierde bullet) te worden uitgegaan van 2% van het geregistreerde kredietsaldo bij het Bureau Krediet Registratie. Voor kredieten boven € 5.000 gelden nadere verificatieverplichtingen overeenkomstig de in de markt gangbare normen voor geldkredieten van VFN en NVB.
  16. De uitslag van de inkomens- en lastentoets wordt ten minste 5 jaar na afwikkeling van het betrokken krediet bewaard.

 

1De rentecomponent is gebaseerd op de gemiddelde maandrente van de in mindering gebrachte reserveringsuitgaven voor kleding, inventaris en onderhoud huis en tuin, bij een looptijd van 48 maanden en een effectieve rente ter hoogte van de maximum kredietvergoeding.
2Bijtellingen op basis van de geldende wet- en regelgeving, voor heffingskortingen en belastingteruggaaf ziektekosten op basis van de NIBUD voorbeeldbegroting en voor vakantietoeslag, kinderbijslag, tegemoetkoming schoolkosten, zorgtoeslag en huurtoeslag op basis van wettelijk forfaitaire waarden.